Mevlana Djalâlu’d-Dîn Rûmî

Om iets van Rumi te begrijpen en hem in deze tijd te kunnen plaatsen, staan we stil
bij de gebeurtenissen in zijn leven die hebben geleid tot een niet aflatende stroom van
mystieke ontferming en dichtkunst. 

Djalâlu’d-Dîn Rûmî werd geboren in 1207 in wat nu Afghanistan heet, in het stadje Balk.
Het gezin waarin hij werd geboren vluchtte voor de Mongoolse legers uit naar het
zuiden. Zijn vader, Baha’ud-Dîn, was een bekend geleerde en deze maakte van de
gelegenheid gebruik om de grote geestelijke leiders van zijn tijd te bezoeken en
de bedevaart naar Mekka te maken. Hij werd uitgenodigd door de Sultan van het
toenmalige Turkije, in de hoofdstad Konya, om daar te komen lesgeven. 
In 1219 was de vijfde kruistocht in volle gang, toen Franciscus, een bezoek aan
sultan Malek al-Kamil van Egypte bracht. Rumi was toen twaalf jaar oud.
De tekst van het gesprek tussen de sultan en Franciscus lijkt bijzonder interessant
maar is niet genoteerd. Wel het effect van de ontmoeting. Franciscus maakte mee
hoezeer het vijandsdenken ‘de ander’ misvormt. De sultan blijkt een beleefde ontwikkelde
man te zijn die aandachtig naar Franciscus luistert. In woord en daad veranderde Franciscus’
houding tegenover moslims. Het gedachtegoed van Franciscus is bekend en dat van
zijn ‘tijdgenoot’ Rumi ook. De uitdaging is natuurlijk om die twee met elkaar in
gesprek te brengen. Laat de geïnspireerde schrijver opstaan, dacht ik. Maar we
worden in deze tijd op onze wenken bediend, want De herberg van het hart –
Franciscus en Rumi als gidsen voor deze tijd, is al verschenen.[1]

Rumi ontmoet Sjams van Tabrîz
Na het overlijden van zijn vader bekleedde de jonge Djalâlu’d-Dîn Rûmî, die we
hierna Rumi noemen, de leerstoel van zijn vader. Toen hij zevenendertig jaar oud
was vond de intensief bezielende gebeurtenis plaats die Rumi tot Rumi maakte
zoals we hem in de 21e eeuw leren kennen. Twee mensen met grote
spirituele gaven ontmoetten elkaar. Sjams van Tabrîz, een derwisj die grote
delen van zijn leven in de bergen mediteerde en Rumi, de academicus met grote
belangstelling voor de mystiek, vieren elkaars licht. De pluspool ontsteekt de
minpool, de vonk sloeg over en een poëtische woordenstroom kwam op gang die pas
zou stoppen met het sterven van Rumi. Een van de verhalen van die ontmoeting
gaat als volgt. Sjams zag Rumi zitten bij een lessenaar aan de waterkant, waarop
bladzijden met waardevolle teksten lagen en hij veegt die papieren met een
bruuske beweging in het water en zegt: ‘Zo! Nu moet je gaan leven wat je zat te
lezen!’ Rumi reageerde in shock en zei: ‘Maar die tekst is van onschatbare
waarde voor mij!’ Sjams antwoordde: ‘We kunnen ze weer uit het water halen en
dan zullen ze droog zijn. Want teksten zijn altijd droog!’ Beiden begonnen de
bladzijden uit het water te redden en ze waren inderdaad droog. Maar de
boodschap was duidelijk. Boeken verzaken voor ervaring. In zijn gedichten zal
hij later nog verder gaan en zeggen: ‘Ik wil geen dichtkunst meer, ik wil ‘het
ding zelf’.’ Hij wil niet Gods gedichten hij wil Hem zelf. Zoals hij later over
de kruik met bronwater zal dichten: Kruiken met bronwater zijn niet langer
genoeg, breng ons naar de rivier! 


Dat gedicht gaat verder:

Het gelaat van de vrede – de Zon zelf

Niet langer zo’n glibberige wolk als de maan
Geef ons heldere ochtend na heldere ochtend
En degene wiens werk onaf zal blijven
Wie is ons werk als wij waarde verliezen?
Bevangen door ijdele gedachten. Leeg en open.